31-01-08

Ergernis.

Ik groeide op aan de rand van een middelgrote provinciehoofdstad.Wij woonden vlak bij het centrum, maar toch hadden we het gevoel dat we op de buiten woonden. Achter onze tuin strekten zich grote velden uit, koeien graasden onder, naar ons idee, torenhoge populieren en in de zomer speelden we vaak verstoppertje tussen de korenschoven. Nu is die straat helemaal volgebouwd, maar toen was er nog heel veel open ruimte. Alleen de plaatselijke bewoners en sommige kerkhofbezoekers passeerden er, en dus mochten wij vaak op straat ravotten.

Zelden kregen we problemen met buren voor het lawaai dat we produceerden. Soms waren we met twee of drie, andere dagen waren met tien of meer.

Als jonge twintiger verhuisde ik naar de Verenigde Staten voor mijn studie. Ik keerde ook weer terug en verhuisde nog een paar keer. Nu woon ik in een grote stad en soms droom ik ervan om hier toch maar weg te gaan, maar als ik dan denk aan al hetgeen we in de loop der jaren verzameld hebben, aan het inpakken ervan, het uitpakken en misschien zelfs weggooien, dan voel ik op slag een depressie opkomen.

In de lange periode dat we hier wonen zagen we vele mensen komen en gaan, ook naar het hiernamaals. Diegenen die bleven hebben een zekere band met elkaar. Een soort gemeenschappelijke geschiedenis. Prettig.

Toch loopt hier intussen ook de halve wereld rond. Licht- en donkergekleurde mensen. Omwille van hen zitten we in dit district in een luxepositie, want de stad subsidieert fors het buurtwerk, samenlevingsopbouw, cultuurprojecten, festivals, renovatie en noem maar op. Om de haverklap krijgt het locale parkje nieuwe speeltuigen, en enkele jaren geleden werd er op de speelweide voor onze deur een mini-voetbalveldje aangelegd waar menige sportclub jaloers op mag zijn.

De plaatselijke jeugd ravot nu ook op straat. Kinderen spelen verstoppertje tussen auto's inplaats van tussen korenschoven. Ze maken evenveel lawaai als wij vroeger. Belletje trek kennen ze blijkbaar niet! Oef! Toch ergeren de meeste volwassenen zich blauw aan hen. Ik moet toegeven dat ik het er zelf soms ook moeilijk mee heb, maar dat gevoel gaat voorbij als ik aan mijn fijne kindertijd denk.

Ik vraag me af of mensen op de buiten zich ook zo vaak ergeren als wij in de stad, en dan heb ik het niet alleen over lawaaierige kinderen op straat. Ik vraag me ook af wat we binnen x-aantal jaren gaan doen als meer dan de helft van de bevolking 50+ zal zijn.

Wie gaat zich dan ergeren aan wie?

22:36 Gepost door rammeke in Algemeen | Permalink | Commentaren (2) |  Facebook |

21-01-08

De eerste bromvlieg.

Gisterenmorgern zag ik hier de eerste bromvlieg van het jaar een poging ondernemen om de slaapkamer binnen te dringen.

Het begint toch erg op te vallen dat onze omgeving warmer wordt. Een tijd geleden hoorde ik nog iemand zeggen dat het allemaal toeval is, en dat koude winters slechts even een pauze hebben genomen, en dat we héél binnenkort de Schelde weer zien bevriezen, en misschien ook wel de zee!

Ik ben daar niet zo zeker van, en ik denk dat de pauze een beetje lang begint uit te vallen.

Heel lang is het in ieder geval geleden dat het stenen vroor. Ik herinner me vooral de winters van rond 1963. Ik was toen, als een van de jongste studenten, een opleiding begonnen aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium. Op kot gaan was uit den boze, en intern worden bij de nonnekes aan de Sint Jacobsmarkt, dat zag ik absoluut niet zitten. Een 'privilege' door de naburige zusters aangeboden aan de muziekstudenten die van ver kwamen.

Dus, vier keer per week nam ik de trein van 6u30 in Hasselt, richting Antwerpen. In het begin werden de wagons nog af en toe getrokken door een stoomlocomotief. Die stond dan te puffen en te blazen dat horen en zien verging, en tegen dat hij ging vertrekken werd het perron en alles en iedereen errond haast onzichtbaar door de dikke wolken stoom.

Wat ik jaren later echt nooit meer teruggezien heb is de dikke laag ijsbloemen op de ruiten van de trein in Aarschot waarop we moesten overstappen. Tijdens de koude nachten in het station werd hij een diepvriezer, en om door de ruiten te kunnen zien moest je met je wijsvinger een gaatje boren (smelten) in de ijsbloemen. Met één oog kon je dan de winterwereld bewonderen en tegen dat we in Antwerpen waren droop de wagonvloer van het smeltwater

Waar is de tijd? Waar is de winter?

14:03 Gepost door rammeke in Algemeen | Permalink | Commentaren (3) |  Facebook |

14-01-08

Stilaan schuiven we op naar de eerste rij.

Steeds vaker word ik geconfronteerd met het feit dat alweer iemand ons ontvalt. Hoe ouder men wordt hoe vaker men het meemaakt, en ik herinner me nog de woorden van mijn schoonmoeder die het geluk had gezond te blijven tot haar negentigste:  'Gezond oud worden is toch een beetje triestig hoor, want uiteindelijk blijft bijna niemand van je eigen generatie over. Eén voor een verdwijnen ze!'

Gisteren is er weer een tante van mij overleden. Zevenenzeventig geworden. Vroeger zou ik gezegd hebben: 'mooie leeftijd bereikt.' Nu zeg ik: 'hé, dat is eigenlijk niet zo oud!'

De begrafenis in Limburg, met koffietafel achteraf, is een enige gelegenheid om nichtjes en neven na lange tijd weer te zien. Het lijkt soms wel op een begrafenisfeest!

Toch doet een overlijden ons telkens weer nadenken over ons eigen leven en over de vele malen dat we reeds afscheid namen. Er valt iets onvervangbaars weg. Het vertrouwde contact met de dode. De herinnering reikt wel voorbij de grenzen van het leven. Sterven is dus eigenlijk niet 'verdwijnen', maar onbereikbaar worden. Een verlies trouwens dat de oorzaak is van het diepste verdriet dat mensen kennen.

Het is ook niet de gestorvene die heengaat, neen, het zijn wij. De gestorvene heeft zijn bestaan volbracht. Er komt niets meer, terwijl wij onze tocht verderzetten, steeds verder weg van het moment waarin ons bestaan samenviel.

Op een flagrante wijze worden we met onze neus op het feit gedrukt dat wij mensen als individuen bestaan, maar, wat ooit geweest is, kan nooit weggenomen worden uit het geheel van de werkelijkheid. Ons 'nu'-moment zal bijgevolg voorgoed deel uitmaken van het gehele bestaan.

Sterven is dus niet verdwijnen uit het bestaan, maar verdwijnen uit het gezichtsveld van wie verder leeft in de tijd! Tja, op die manier bekeken zou ik me misschien kunnen verzoenen met een afscheid. Alhoewel, ik heb nooit de voorkeur gegeven aan het plaatsnemen op de eerste rij, en ik blijf dat in alle omstandigheden niet leuk vinden.

15:03 Gepost door rammeke in Algemeen | Permalink | Commentaren (5) |  Facebook |